Zo de wind waait, waait m’n rokje. Of was het nou sokje?
In elk geval woei het niet alleen toen we vanmorgen de gordijnen opentrokken, maar het regende nog steeds pijpenstelen. We werden er niet echt vrolijk van. Maar goed, na regen komt toch echt zonneschijn zeggen ze, dus we pakten na de broodnodige ochtendkoffie optimistisch ons boeltje en vertrokken. Bij de plaatselijke super, honderd meter verderop, wilden we nog even verse broodjes halen. Het leek daar wel een staking, zoveel mensen op de been. Van staking was echter geen sprake, waarom zouden ze ook hier. Alles lijkt zo in pais en vree. Bij de camping hadden veel mensen hun fietsen naast hun caravan geparkeerd, en ook al waren ze zelf niet aanwezig, geen fiets die op slot stond. Zo kan het ook, Nederland! De reden voor de mensenmenigte was een feestelijk gebeuren: er werd een openluchtconcert gegeven. Een violiste in een jurk uit de jaren dertig stond zich de blaren op haar vingers te spelen, de bladmuziek in digitale vorm op de standaard. In zo’n dorp gebeurt natuurlijk nooit wat, dus de hele bevolking was uitgelopen. Van jong tot oud, in kinderwagen en met rollator. Er heerste een gemoedelijke sfeer. Ik wurmde me door de menigte naar binnen waar ik na lang zoeken twee vers gebakken kaneelbroodjes vond. Kanelsnur noemen ze die hier. Het enige wat ze ons snoerden was de mond, het was nogal een hap. Ik had na een halve meer dan genoeg.
Goed gevoed zetten we koers richting zuiden, naar Rjukan. Of eigenlijk, naar een camping zo’n dertig kilometer ten oosten daarvan. Op internet had ik gezocht naar iets waar ze ook fatsoenlijke tentplekken hadden en ik was uitgekomen op camping Sandviken in Augsbygden. Gelegen aan een groot meer dus vast druk, maar op de site werd expliciet vermeld dat ze ook zestig tentplekken hadden. Rjukan ligt aan de rand van de Hardangervidda. Aan het begin van de vakantie waren we daar ook geweest maar aan de andere kant. Nu wilden we het punt opzoeken van waaruit we in ’79 met de meest fantastische tocht ooit begonnen waren: Kalhovd. Indertijd waren we met de bus naar Rjukan gereden en daar overgestapt op de bus die ons naar het startpunt bracht. Niet dat we in die hut gingen slapen, maar we liepen onze tochten altijd langs hutten om een ijkpunt te hebben en indien nodig een schuilmogelijkheid.
Het eerste stuk van de weg ernaartoe was niet spectaculair. Het laatste stuk echter, over een uitloper van de Hardangervidda hoogvlakte, was ronduit schitterend! In de winter ongetwijfeld een drukbezocht langlaufgebied, nu was het er heel rustig. Wat houden we toch van die onherbergzame vlaktes. Geen boom te zien, alleen maar grote keien en rotsen.
Van afstand zagen we de camping al liggen. De schrik sloeg ons om het hart, alwéér een dorp van louter witte legoblokken. Bij de receptie aarzelde het meisje even toen we om een tentplek vroegen, maar dat bleek van geen enkele voorspellende waarde. We mochten uitzoeken en later melden wat het geworden was. Meer dan de helft van de plekken was nog vrij. Bij het zien van de belijning die de grenzen van de plekken aangaven, als bij een voetbalveld, schrokken we toch even maar opeens zagen we aan de rand bij het water een hele ruime plek, met ook nog eens vrij uitzicht op het prachtige langgerekte meer. Kilometers verder, aan de andere kant, lagen de bergen achter elkaar verzonken in het zonlicht. Schitterend.
We zetten de tent op, wat wonderbaarlijk snel en makkelijk ging. Vanuit onze stoel keken we voor ons uit, stil van verwondering over zoveel moois. ‘s Avonds aten we lapskaus. Zowaar gevonden hier in de winkel. Na lang zoeken tussen de Mexicaanse, Thaise, Italiaanse etenswaren zag ik opeens op de onderste plank een paar blikken van deze Noorse specialiteit staan. Stevige kost, maar ondanks de aangepaste receptuur (geen rendiervlees) erg smakelijk.
En toen, toen stak de wind op. Nogal heftig. We trokken ons terug in de tent, luifel dicht. De plastic ramen lieten genoeg licht door om te kunnen lezen en we konden heel wat bladzijden wegtikken. Later ging de wind weer liggen en hebben we nog een tijdje buiten gezeten. Ik zei het al: zo de wind waait….
Wordt vervolgd.
maandag 4 juli 2022
zaterdag 2 juli 2022
Vrijdag 1 juli – dag 11: Rondane – Tisleidalen
Er schuifelde een kobold over het terrein. Of misschien was het de gebochelde van de Nôtre Dame? In elk geval iemand die zichzelf ternauwernood overeind kon houden. Met een wit konijnenpak aan, het kon ook een veel te ruime onesie zijn, en daarover heen een rood gebreid mutsje dat met een koordje onder de kin was vastgemaakt. Surrealisme op de camping. Ik durfde er geen foto van te nemen, dat voelde te respectloos. De man hoorde bij een andere hoogbejaarde, die ook al met moeite de afstand van de auto naar de deur van hun onderkomen kon overbruggen. Ze hadden gistermiddag hun intrek genomen in een van de hutten. Je verveelt je nooit bij het kamperen.
Om zes uur vanmorgen stonden we op. Hoewel de lucht onrustig was konden we alles droog inpakken, en toen het in de auto zat was er nog tijd genoeg voor koffie en ontbijt. Om kwart over negen reden we weg, op naar Jotunheimen. Alle apparatuur was opgeladen; er stond een elektriciteitskastje precies achter onze tent, reuze handig! Ter hoogte van onze wandelplek van gisteren konden we ineens niet verder: de weg werd geblokkeerd door een kudde schapen die niet de minste aanstalten maakte op te staan. Zeg nou zelf, lig je daar lekker op het asfalt in je eigen poep, moet je ineens weg! Bert stapte uit om ze tot bewegen te manen en dat lukte deze gelegenheidsherder wonderwel. We konden doorrijden.
Het eerste stuk voerde ons door bosrijke streken met weinig uitzicht. Tot we opeens in een open landschap terechtkwamen, geflankeerd door de hoge bergen van Jotunheimen met volop sneeuw op de flanken. Vanaf dat moment maakten onze hersenen overuren. Allereerst met het opnemen van al dat moois, maar vooral ook met het verwerken van de herinneringen aan een spectaculaire bergtocht in 1979. We reden naar Gjendesheim, naar het beginpunt van de beroemde Bessengen hike. Op deze tocht klim je eerst een heel stuk omhoog om vervolgens over een smalle bergkam tussen twee meren te lopen. Het ene meer, Gjende, ligt 400 meter lager dan het andere, het Bessvatnet. Voor de tocht wordt tussen de 5 en 7 uur gerekend. In lengte valt de tocht wel mee, 14 km, maar je stijgt daarbij 1160 meter. Kortom, pittig. Vandaag keken we met stijgende verbazing naar de berg en de graat daarachter. Hadden wij dit écht gedaan? Met rugzak waarin tent, slaapzakken, -matjes, kookgerei, gedroogd eten enz? In dunne polyester-katoenen windjacks, indertijd heel nieuw materiaal waar de wind dwars doorheen blies? Ja, echt. En niet alleen dit traject, maar nog veel verder. Een dag of zes hebben we gelopen als ik me goed herinner. Lopend op hoogtelijnen van stafkaarten, met de hoogtemeter in de hand (die hebben we nog steeds in een la liggen). Het eerste deel van de tocht ging naar Memurubu. Vlak voordat we de graat op wilden lopen kwam er opeens dikke mist opzetten. We hebben twee uur gewacht en ter plekke thee gezet voor het optrok en we verder konden. Met terugwerkende kracht zijn we nu ongelooflijk trots op onszelf.
Nadat we een tijdje al mijmerend hadden rondgelopen vervolgden we onze weg. En alweer werden onze stoutste verwachtingen overtroffen, wat een schitterend gebied! Dat hebben we toch oneindig veel liever dan de kust. Om de haverklap stonden we stil om te kijken en foto’s te maken. Dat kon nog net, want we waren het gebied nog niet uit of het noodweer, wat al de hele tijd dreigend boven ons hing, barstte in volle hevigheid los. Om vervolgens urenlang aan te houden. In zware slagregens moesten we alle zeilen bijzetten om niet van de weg te raken, maar getuige dit stukje is dat goedgekomen. In de buurt van Fagernes, waar we eigenlijk van plan waren een langere wandeling te maken, spoelde het wegdek bijna van de kade. We doken een camping op, op zoek naar een cabin. Het was een enorm terrein waar het werkelijk stampvol stond met caravans en campers. We mochten er twee hutten bekijken, daar hadden ze er ook een paar van aan de rand gezet. De eerste was wel ok, heel klein maar aardig ingericht. De tweede, groter en duurder, was verschrikkelijk qua inrichting; niet alleen qua kleur (zwart skai) maar ook qua indeling. Uiteindelijk besloten we door te rijden omdat je vanaf beide hutten ook nog eens een heel eind naar het sanitair moest lopen. Hutten zijn daar in het algemeen en dus ook in dit geval niet van voorzien. En dat in die extreme regen, dat leek ons geen goed idee. Na een kilometer of 15 kwamen we opnieuw op een hoogvlakte, omringd door bos. Hier was een camping die weliswaar groot was, maar met vriendelijk personeel en een grote en aangenaam ingerichte hut die ook nog eens veel goedkoper was. Bovendien, je kon er eten! Nou, dat gingen we doen. Eindelijk eens van de echte Noorse keuken genieten: lapskaus (rendierstoofpot), kjøtt in brunsaus (gehaktballen in bruine jus) en rømmegrøt (lammetjespap met bessensaus en kaneel). Wij dus naar binnen. Een blik op de handgeschreven menukaart, op hippe krijtborden, gaf ons meteen een duidelijk beeld: chicken wings met chimichurri; hamburgers met friet; pizza in soorten en maten. Ook hier heeft de nieuwe eetcultuur toegeslagen. Gelukkig was er wel Noorse zalmforel, al leek de combinatie met lasagne in eerste instantie wat vreemd. Maar lékker!
Om zes uur vanmorgen stonden we op. Hoewel de lucht onrustig was konden we alles droog inpakken, en toen het in de auto zat was er nog tijd genoeg voor koffie en ontbijt. Om kwart over negen reden we weg, op naar Jotunheimen. Alle apparatuur was opgeladen; er stond een elektriciteitskastje precies achter onze tent, reuze handig! Ter hoogte van onze wandelplek van gisteren konden we ineens niet verder: de weg werd geblokkeerd door een kudde schapen die niet de minste aanstalten maakte op te staan. Zeg nou zelf, lig je daar lekker op het asfalt in je eigen poep, moet je ineens weg! Bert stapte uit om ze tot bewegen te manen en dat lukte deze gelegenheidsherder wonderwel. We konden doorrijden.
Het eerste stuk voerde ons door bosrijke streken met weinig uitzicht. Tot we opeens in een open landschap terechtkwamen, geflankeerd door de hoge bergen van Jotunheimen met volop sneeuw op de flanken. Vanaf dat moment maakten onze hersenen overuren. Allereerst met het opnemen van al dat moois, maar vooral ook met het verwerken van de herinneringen aan een spectaculaire bergtocht in 1979. We reden naar Gjendesheim, naar het beginpunt van de beroemde Bessengen hike. Op deze tocht klim je eerst een heel stuk omhoog om vervolgens over een smalle bergkam tussen twee meren te lopen. Het ene meer, Gjende, ligt 400 meter lager dan het andere, het Bessvatnet. Voor de tocht wordt tussen de 5 en 7 uur gerekend. In lengte valt de tocht wel mee, 14 km, maar je stijgt daarbij 1160 meter. Kortom, pittig. Vandaag keken we met stijgende verbazing naar de berg en de graat daarachter. Hadden wij dit écht gedaan? Met rugzak waarin tent, slaapzakken, -matjes, kookgerei, gedroogd eten enz? In dunne polyester-katoenen windjacks, indertijd heel nieuw materiaal waar de wind dwars doorheen blies? Ja, echt. En niet alleen dit traject, maar nog veel verder. Een dag of zes hebben we gelopen als ik me goed herinner. Lopend op hoogtelijnen van stafkaarten, met de hoogtemeter in de hand (die hebben we nog steeds in een la liggen). Het eerste deel van de tocht ging naar Memurubu. Vlak voordat we de graat op wilden lopen kwam er opeens dikke mist opzetten. We hebben twee uur gewacht en ter plekke thee gezet voor het optrok en we verder konden. Met terugwerkende kracht zijn we nu ongelooflijk trots op onszelf.
Nadat we een tijdje al mijmerend hadden rondgelopen vervolgden we onze weg. En alweer werden onze stoutste verwachtingen overtroffen, wat een schitterend gebied! Dat hebben we toch oneindig veel liever dan de kust. Om de haverklap stonden we stil om te kijken en foto’s te maken. Dat kon nog net, want we waren het gebied nog niet uit of het noodweer, wat al de hele tijd dreigend boven ons hing, barstte in volle hevigheid los. Om vervolgens urenlang aan te houden. In zware slagregens moesten we alle zeilen bijzetten om niet van de weg te raken, maar getuige dit stukje is dat goedgekomen. In de buurt van Fagernes, waar we eigenlijk van plan waren een langere wandeling te maken, spoelde het wegdek bijna van de kade. We doken een camping op, op zoek naar een cabin. Het was een enorm terrein waar het werkelijk stampvol stond met caravans en campers. We mochten er twee hutten bekijken, daar hadden ze er ook een paar van aan de rand gezet. De eerste was wel ok, heel klein maar aardig ingericht. De tweede, groter en duurder, was verschrikkelijk qua inrichting; niet alleen qua kleur (zwart skai) maar ook qua indeling. Uiteindelijk besloten we door te rijden omdat je vanaf beide hutten ook nog eens een heel eind naar het sanitair moest lopen. Hutten zijn daar in het algemeen en dus ook in dit geval niet van voorzien. En dat in die extreme regen, dat leek ons geen goed idee. Na een kilometer of 15 kwamen we opnieuw op een hoogvlakte, omringd door bos. Hier was een camping die weliswaar groot was, maar met vriendelijk personeel en een grote en aangenaam ingerichte hut die ook nog eens veel goedkoper was. Bovendien, je kon er eten! Nou, dat gingen we doen. Eindelijk eens van de echte Noorse keuken genieten: lapskaus (rendierstoofpot), kjøtt in brunsaus (gehaktballen in bruine jus) en rømmegrøt (lammetjespap met bessensaus en kaneel). Wij dus naar binnen. Een blik op de handgeschreven menukaart, op hippe krijtborden, gaf ons meteen een duidelijk beeld: chicken wings met chimichurri; hamburgers met friet; pizza in soorten en maten. Ook hier heeft de nieuwe eetcultuur toegeslagen. Gelukkig was er wel Noorse zalmforel, al leek de combinatie met lasagne in eerste instantie wat vreemd. Maar lékker!
![]() |
| Uitzicht onderweg |
![]() |
| De Bessegen liepen we, google maar voor foto's van deze beroemde tocht |
![]() |
| Sfeervolle hut met rendierkleedje aan de muur |
![]() |
| En alweer zo'n goed ingerichte keuken |
vrijdag 1 juli 2022
Donderdag 30 juni – dag 10: Rondane (Camping Solhaug)
Je mag geen aardappelen invoeren in Noorwegen. Wel tien kilo groenten en fruit per persoon, maar geen aardappelen. En nu weten we waarom. De beroemde sterke drank van dit land, Aquavit, wordt gemaakt van…juist, aardappelen! Aangezien er een zeer strikt beleid rond de verkoop en inname van alcohol wordt gevoerd (hoewel daar op de veerdiensten dan weer bitter weinig van te merken is, een béétje Noor loopt binnen de kortste tijden ladderzat de trappen op de boot op en af, op zoek naar nog meer lekkers) ligt het voor de hand de invoer van piepers te verbieden. Voor je het weet liggen ze anders ergens in een ongure schuur te gisten om tot illegaal brouwsel verwerkt te worden. Stel je voor.
Zoals ze gisteren al had aangekondigd stapte Mari-Ann vandaag op haar grasmaaier om het terrein weer wat toonbaarder te maken. Wat van ons niet hoefde, wij vonden het meer dan toonbaar genoeg. Maar wij gaan daar niet over. Het was nogal een klus omdat het hobbelige bosgrond is. Af en toe pauzeerde ze even. Op een gegeven moment viel het mij op dat ze iets pakte uit een tas die tussen haar voeten stond. Ze nam schielijk een slok, keek even om zich heen en zette de fles weer neer. Het zal toch niet…
We hielden vandaag een opruimdag. Onze spullen waren langzamerhand zo door elkaar geraakt dat we niet meer wisten waar de theedoeken lagen (niet belangrijk), waar de koffiebekers waren (wel belangrijk) of waar we de wijn hadden gelaten (heel belangrijk). Dus pakten we alles uit de auto, legden het op het tafeltje en op de grond en gingen over tot een grondige reorganisatie. Na afloop hadden we drie big shoppers met eten weten te reduceren tot één, en alleen dat scheelde al enorm veel in de ruimte. De twee kleine kratjes met kookgerei zagen er ook weer netjes uit, en met een opgeruimd gevoel stapten we in de auto.
We wilden zien of we ergens nog íets van het oude Rondane, zoals we dat in ons hoofd hadden van bijna een halve eeuw geleden, terug konden vinden. Na een kort ritje kwamen we in een gebied dat kennelijk nogal in trek was bij de Noren zelf, want op de parkeerplaats stonden voor de verandering nu eens geen Duitse of Nederlandse auto’s. Behalve die van ons dan. Maar dat telt natuurlijk niet. Bij het aantrekken van mijn schoenen moest ik nog even uitkijken. Er zijn hier overal schapen, echt overal. En dus ook op de parkeerplaats. Die dieren hebben verrassend goede neuzen en roken van afstand al de appeltjes in onze achterbak. Ik kon nog nét voorkomen dat moeder schaap, moreel gesteund door haar twee puberlammeren, de auto in sprong. Het kostte nog enige moeite ook, ze zijn behoorlijk sterk en vooral heel koppig. Maar uiteindelijk verdwenen ze weer, met gepaste tegenzin, en kon ik mijn schoenen aantrekken.
We zagen een pad dat langs een plas het gebied in voerde en dat gingen we volgen. En ja hoor, daar was het weer, dat gevoel dat we zoveel jaren geleden ook hadden gehad. Dat groen alleen al, dat hele tere bijna lichtgevende groen van het ‘ur’ dat op de stenen groeit, zo onbeschrijfelijk mooi. Dat, gecombineerd met de watertjes waar we ook nu al balancerend over een enkele smalle plank overheen moesten, de lage ronde bergen rondom, het was geweldig. Ok, het was natuurlijk van een andere orde dan indertijd, maar het was er écht. Onze dag kon niet meer stuk.
Na deze ervaring reden we eerst nog een stukje verder, maar omdat we op die manier het park uitreden keerden we de auto en reden terug. We hebben gewoon heerlijk bij de tent zitten lezen, eerst met een kopje thee en later een glaasje wijn. We aten tonijnpasta à la Gera: een klein blikje dikke champignonsoep (het beste is die van Campbell maar die hadden we niet), dat door de pasta en dan tonijn erbij. Succes verzekerd! Gera maakte het op de gedenkwaardige dag dat we in Amerika op een camping aan de North Rim stonden toen ik opeens mijn naam hoorde. Alsof iemand mij riep. Verkeerd verstaan dacht ik, maar toen ik het voor de derde keer hoorde keek ik toch maar even. En daar stond ze hoor, onze vriendin! Zij was het die ons op het pad van de Amerika-reizen zette, ervaren globetrotter die ze was, maar dat we elkaar daar zomaar uit het niets in dat grote land zouden ontmoeten was natuurlijk krankzinnig. Enfin, we aten samen en trokken samen een paar dagen op. De eerste avond, je raadt het al, kwam de pasta tonijn op tafel. Sindsdien vaste prik op ons vakantiemenu.
Na het eten stopten we al zoveel mogelijk spullen in de auto. Want morgenochtend zou het, jawel, gaan regenen en we pakten liever een droge dan een natte tent in. De wekker wordt dus vroeg gezet, om 6 uur. Jotunheimen staat morgen op het programma, om precies te zijn Gjendesheim. Ook daar hebben we veel herinneringen liggen.
Zoals ze gisteren al had aangekondigd stapte Mari-Ann vandaag op haar grasmaaier om het terrein weer wat toonbaarder te maken. Wat van ons niet hoefde, wij vonden het meer dan toonbaar genoeg. Maar wij gaan daar niet over. Het was nogal een klus omdat het hobbelige bosgrond is. Af en toe pauzeerde ze even. Op een gegeven moment viel het mij op dat ze iets pakte uit een tas die tussen haar voeten stond. Ze nam schielijk een slok, keek even om zich heen en zette de fles weer neer. Het zal toch niet…
We hielden vandaag een opruimdag. Onze spullen waren langzamerhand zo door elkaar geraakt dat we niet meer wisten waar de theedoeken lagen (niet belangrijk), waar de koffiebekers waren (wel belangrijk) of waar we de wijn hadden gelaten (heel belangrijk). Dus pakten we alles uit de auto, legden het op het tafeltje en op de grond en gingen over tot een grondige reorganisatie. Na afloop hadden we drie big shoppers met eten weten te reduceren tot één, en alleen dat scheelde al enorm veel in de ruimte. De twee kleine kratjes met kookgerei zagen er ook weer netjes uit, en met een opgeruimd gevoel stapten we in de auto.
We wilden zien of we ergens nog íets van het oude Rondane, zoals we dat in ons hoofd hadden van bijna een halve eeuw geleden, terug konden vinden. Na een kort ritje kwamen we in een gebied dat kennelijk nogal in trek was bij de Noren zelf, want op de parkeerplaats stonden voor de verandering nu eens geen Duitse of Nederlandse auto’s. Behalve die van ons dan. Maar dat telt natuurlijk niet. Bij het aantrekken van mijn schoenen moest ik nog even uitkijken. Er zijn hier overal schapen, echt overal. En dus ook op de parkeerplaats. Die dieren hebben verrassend goede neuzen en roken van afstand al de appeltjes in onze achterbak. Ik kon nog nét voorkomen dat moeder schaap, moreel gesteund door haar twee puberlammeren, de auto in sprong. Het kostte nog enige moeite ook, ze zijn behoorlijk sterk en vooral heel koppig. Maar uiteindelijk verdwenen ze weer, met gepaste tegenzin, en kon ik mijn schoenen aantrekken.
We zagen een pad dat langs een plas het gebied in voerde en dat gingen we volgen. En ja hoor, daar was het weer, dat gevoel dat we zoveel jaren geleden ook hadden gehad. Dat groen alleen al, dat hele tere bijna lichtgevende groen van het ‘ur’ dat op de stenen groeit, zo onbeschrijfelijk mooi. Dat, gecombineerd met de watertjes waar we ook nu al balancerend over een enkele smalle plank overheen moesten, de lage ronde bergen rondom, het was geweldig. Ok, het was natuurlijk van een andere orde dan indertijd, maar het was er écht. Onze dag kon niet meer stuk.
Na deze ervaring reden we eerst nog een stukje verder, maar omdat we op die manier het park uitreden keerden we de auto en reden terug. We hebben gewoon heerlijk bij de tent zitten lezen, eerst met een kopje thee en later een glaasje wijn. We aten tonijnpasta à la Gera: een klein blikje dikke champignonsoep (het beste is die van Campbell maar die hadden we niet), dat door de pasta en dan tonijn erbij. Succes verzekerd! Gera maakte het op de gedenkwaardige dag dat we in Amerika op een camping aan de North Rim stonden toen ik opeens mijn naam hoorde. Alsof iemand mij riep. Verkeerd verstaan dacht ik, maar toen ik het voor de derde keer hoorde keek ik toch maar even. En daar stond ze hoor, onze vriendin! Zij was het die ons op het pad van de Amerika-reizen zette, ervaren globetrotter die ze was, maar dat we elkaar daar zomaar uit het niets in dat grote land zouden ontmoeten was natuurlijk krankzinnig. Enfin, we aten samen en trokken samen een paar dagen op. De eerste avond, je raadt het al, kwam de pasta tonijn op tafel. Sindsdien vaste prik op ons vakantiemenu.
Na het eten stopten we al zoveel mogelijk spullen in de auto. Want morgenochtend zou het, jawel, gaan regenen en we pakten liever een droge dan een natte tent in. De wekker wordt dus vroeg gezet, om 6 uur. Jotunheimen staat morgen op het programma, om precies te zijn Gjendesheim. Ook daar hebben we veel herinneringen liggen.
donderdag 30 juni 2022
Woensdag 29 juni – dag 9: Dovre – Rondane (Solhaug Camping)
De wereld zag er vanmorgen heel anders uit: de zon scheen! Wat een verademing. We waren er wel klaar mee, met die huilbuien uit de wolken. Ik bedoel, de wereld staat in brand maar dat blus je niet op die manier. Gauw de spullen weer gepakt en naar de receptie om te betalen. We raakten er nog even aan de praat met de uiterst vriendelijke beheerster. Zij en haar man kochten het stuk grond eind jaren negentig om er een kleinschalig boerenbedrijf te beginnen, met een kleine camping ernaast, en een plek te hebben waar hun zeven kinderen veilig konden opgroeien. Met hart en ziel bestierden zij de winkel. Die familiebedrijven zijn toch altijd oneindig veel leuker dan de grote commerciële ketens. Goed, we vertelden dat we vroeger zowel de Hardangervidda als Rondane en Jotunheimen te voet doorkruist hadden met tent op de rug, wat haar de opmerking ontlokte ‘o, you’re that kind of people!’. Was het nu een compliment of juist niet? We besloten maar voor het eerste te kiezen. Dat ze ons bij het afrekenen opeens 50 kronen méér rekende dan afgesproken, het zij haar vergeven.
De eerste stop was bij de Snøhetta, 2286m, het hoogste punt van de Dovrefjell. Vanaf de parkeerplaats, waar het nog vrij rustig was, kon je een wandeling maken van anderhalve kilometer waarbij je 120 m moest klimmen om het uitzicht te bewonderen. Behalve het uitzicht, dat beslist de moeite waard was, stond er een groot gebouw met glazen wanden aan de voorkant zodat je ook bij slecht weer de vallei kon overzien. Er stond een camera opgesteld, gericht op het woongebied van de muskusossen die sinds jaar en dag de Dovre bevolken. Op een scherm konden we ze goed volgen. Een Nederlandse studente die onderzoek deed naar deze dieren gaf uitleg. Zo mochten we een stukje voorpoot van zo’n os optillen: loodzwaar! Hoe ze aan zo’n afgehakte hoef kwamen werd er niet bij verteld…Al met al beslist de moeite waard. Niet in de laatste plaats omdat het gebouw zelf een architectonisch hoogstandje was, zowel van binnen als van buiten.
We reden verder, richting Rondane. Op een mooie plek aan het water, aan een picknickbank van bijzondere vormgeving lunchten we met het brood en de melk die we die ochtend nog even snel gekocht hadden. En toen op zoek naar een tentplek. Dat viel niet mee. De eerste camping die we binnenreden stond stampvol met stacaravans, gewone caravans en campers. We gingen toch maar even vragen of ze misschien ergens een aparte plek voor tenten hadden. Een heel vriendelijke jongen zei dat ze dat zeker hadden. Hij liep met ons mee, en te midden van al dat woonwagengeweld was er een stukje gras dat beter de naam van moeras had kunnen hebben. Daar konden we toch prima staan? Ja, als het ging regenen had je wel kans dat de rivier buiten zijn oevers trad, maar hij dacht dat het vandaag wel droog zou blijven. Het leek ons, hoe gek toch, helemaal geen goed idee. We bedankten de jongeman vriendelijk en reden door. De volgende camping: idem dito. Alleen hier geen moeras maar wel een onmogelijk klein grasveldje. En dooorrrrrr…naar de volgende: de Solhaug camping. En daar…was helemaal niemand! Nou ja, één dame in een kampeerbus. Het was er schitterend. Er waren 5 kleine cabins – je zou ze het label ‘rustiek’ kunnen geven, maar daarmee doe je ze tekort – en verder meer dan genoeg kampeerplekken. Onder de bomen, in het gras, uitkijkend op het meer of op de bergen. Superschoon sanitair, een keuken, een overdekte plek met tafeltjes en een grote vuurplaats in het midden. Een paradijsje!
We bekeken wat er op het bord bij de ingang stond. Wilde je een hut? Kijk maar waar een sleutel in zit, die kun je nemen. En bel maar even als je wilt kamperen. Dat heb ik gedaan, dat doe ik in het buitenland altijd met Skype; tien jaar geleden heb ik een tegoed van €10 gekocht en daar is nog steeds €5 van over. Ik kreeg Mari-Ann meteen aan de lijn. Ze zou later op de dag langskomen om het geld te innen. Kampgeld: €17. Voor Noorse begrippen is dat spotgoedkoop.
De tent stond snel, de boel ingericht, stoeltjes uitgeklapt en een glaasje ingeschonken. De zon scheen: domweg gelukkig in Noorwegen!
De eerste stop was bij de Snøhetta, 2286m, het hoogste punt van de Dovrefjell. Vanaf de parkeerplaats, waar het nog vrij rustig was, kon je een wandeling maken van anderhalve kilometer waarbij je 120 m moest klimmen om het uitzicht te bewonderen. Behalve het uitzicht, dat beslist de moeite waard was, stond er een groot gebouw met glazen wanden aan de voorkant zodat je ook bij slecht weer de vallei kon overzien. Er stond een camera opgesteld, gericht op het woongebied van de muskusossen die sinds jaar en dag de Dovre bevolken. Op een scherm konden we ze goed volgen. Een Nederlandse studente die onderzoek deed naar deze dieren gaf uitleg. Zo mochten we een stukje voorpoot van zo’n os optillen: loodzwaar! Hoe ze aan zo’n afgehakte hoef kwamen werd er niet bij verteld…Al met al beslist de moeite waard. Niet in de laatste plaats omdat het gebouw zelf een architectonisch hoogstandje was, zowel van binnen als van buiten.
We reden verder, richting Rondane. Op een mooie plek aan het water, aan een picknickbank van bijzondere vormgeving lunchten we met het brood en de melk die we die ochtend nog even snel gekocht hadden. En toen op zoek naar een tentplek. Dat viel niet mee. De eerste camping die we binnenreden stond stampvol met stacaravans, gewone caravans en campers. We gingen toch maar even vragen of ze misschien ergens een aparte plek voor tenten hadden. Een heel vriendelijke jongen zei dat ze dat zeker hadden. Hij liep met ons mee, en te midden van al dat woonwagengeweld was er een stukje gras dat beter de naam van moeras had kunnen hebben. Daar konden we toch prima staan? Ja, als het ging regenen had je wel kans dat de rivier buiten zijn oevers trad, maar hij dacht dat het vandaag wel droog zou blijven. Het leek ons, hoe gek toch, helemaal geen goed idee. We bedankten de jongeman vriendelijk en reden door. De volgende camping: idem dito. Alleen hier geen moeras maar wel een onmogelijk klein grasveldje. En dooorrrrrr…naar de volgende: de Solhaug camping. En daar…was helemaal niemand! Nou ja, één dame in een kampeerbus. Het was er schitterend. Er waren 5 kleine cabins – je zou ze het label ‘rustiek’ kunnen geven, maar daarmee doe je ze tekort – en verder meer dan genoeg kampeerplekken. Onder de bomen, in het gras, uitkijkend op het meer of op de bergen. Superschoon sanitair, een keuken, een overdekte plek met tafeltjes en een grote vuurplaats in het midden. Een paradijsje!
We bekeken wat er op het bord bij de ingang stond. Wilde je een hut? Kijk maar waar een sleutel in zit, die kun je nemen. En bel maar even als je wilt kamperen. Dat heb ik gedaan, dat doe ik in het buitenland altijd met Skype; tien jaar geleden heb ik een tegoed van €10 gekocht en daar is nog steeds €5 van over. Ik kreeg Mari-Ann meteen aan de lijn. Ze zou later op de dag langskomen om het geld te innen. Kampgeld: €17. Voor Noorse begrippen is dat spotgoedkoop.
De tent stond snel, de boel ingericht, stoeltjes uitgeklapt en een glaasje ingeschonken. De zon scheen: domweg gelukkig in Noorwegen!
dinsdag 28 juni 2022
Dinsdag 28 juni – dag 8: Lom – Dovre
Soms wordt er voor je besloten, zomaar opeens. Dat overkwam ons vanmorgen toen we de cabin nog een dagje extra wilden huren. Het goot van de regen, met bakken kwam het weer/nog steeds uit de lucht. We hadden inmiddels begrepen dat het de hele dag zou duren, en uitwijkmogelijkheden waren er niet echt. We stonden dus laat op, dronken op ons dooie gemak koffie en tegen elven liep ik naar het café waar de uitbater na enig wachten uit de keuken verscheen. Tenminste, meestal. Nu niet, ook al sloeg ik een paar keer hard op de gong die voor dat doel op de toonbank stond. Nou ja, dan later nog maar even proberen. We fatsoeneerden de kamer een beetje. Bert had op de bank geslapen en ik op een van de matrassen die we uit het piepkleine slaapkamertje gehaald hadden. Daar kon je echt je kont niet keren, en dit was een prima oplossing. Om half twaalf probeerde ik het nog eens, deze keer kwam de baas wél tevoorschijn. Ik zwaaide al met wat bankbiljetten, maar helaas, die vlieger ging niet op: alles was vol voor komende nacht. We moesten weg, er zat niets anders op. Wel kregen we een handgeschreven ansichtkaartje van hem mee, met dank voor ons bezoek. Waar vind je dat nog? We gooiden alles maar weer in de auto.
Ons plan was om naar Mysuseter te gaan, in Rondane Nationaal Park. Maar dat was nu beslist geen goed idee. Er werd noodweer verwacht. We zijn uiteindelijk iets noordelijker, naar Dovre gereden en terechtgekomen op een leuke camping met bijzonder vriendelijke mensen. Daar hebben we een ook weer een cabin gehuurd, wederom met eigen sanitair en keuken, wel zo comfortabel met dit weer. Het is echt een zegen dat je daar zo makkelijk gebruik van kunt maken hier, en ook nog betaalbaar! Nu geven we verder sowieso niets uit. We zijn welgeteld één keer in een supermarkt geweest, en één keer bij een klein winkeltje voor brood. Twee keer hebben we ergens koffie gedronken, en dan heb je het wel gehad. Benzine en overnachtingen, dat is het zo’n beetje. Tolwegen hebben we ook nog niet gereden, wel twee keer met de ferry. Daar komt later nog een rekening van thuis, zal niet meer dan €15 zijn. Kortom, Noorwegen is best te doen 😁
Dovre ligt tussen de Dovrefjell en Rondane in, een mooi uitgangspunt voor de volgende dag. In de hoop dat het dan droog is, maar dat is wel de verwachting. We willen ook héél graag de tent weer opzetten, van de zeven nachten die we hier nu zijn hebben we er maar twee gekampeerd. Hopelijk lukt dat morgen, en ook om eindelijk eens wat wandelingen te maken. Zelfs daar is het tot nu toe niet van gekomen, maar dat komt omdat we graag door die waanzinnig mooie landschappen hier wilden rijden. Dat is ook wat waard.
Als morgen de zon schijnt gaan we eerst de Dovrefjell verkennen. Dat is - alweer - een hoogvlakte, en met een beetje geluk kunnen we daar Peer Gynt tegenkomen, de bergkoning uit het verhaal van Ibsen dat door Grieg op muziek gezet is. Daarna rijden we naar Rondane Nationaal Park. Daar vond indertijd onze eerste kennismaking met dit wonderschone land plaats. We liepen er een meerdaagse tocht en moesten de eerste dag urenland omhoog van de ene kei naar de andere springen. Met de zwaarbepakte rugzak op. Toen we uiteindelijk bij de berghut kwamen rook het daar zo heerlijk naar versgebakken brood! We besloten er de volgende ochtend dus te ontbijten (slapen deden we in onze eigen tent). De klap in het gezicht kon niet groter zijn: dat brood, dat goddelijk ruikende brood, bleek zonder zout gebakken te zijn...
Ons plan was om naar Mysuseter te gaan, in Rondane Nationaal Park. Maar dat was nu beslist geen goed idee. Er werd noodweer verwacht. We zijn uiteindelijk iets noordelijker, naar Dovre gereden en terechtgekomen op een leuke camping met bijzonder vriendelijke mensen. Daar hebben we een ook weer een cabin gehuurd, wederom met eigen sanitair en keuken, wel zo comfortabel met dit weer. Het is echt een zegen dat je daar zo makkelijk gebruik van kunt maken hier, en ook nog betaalbaar! Nu geven we verder sowieso niets uit. We zijn welgeteld één keer in een supermarkt geweest, en één keer bij een klein winkeltje voor brood. Twee keer hebben we ergens koffie gedronken, en dan heb je het wel gehad. Benzine en overnachtingen, dat is het zo’n beetje. Tolwegen hebben we ook nog niet gereden, wel twee keer met de ferry. Daar komt later nog een rekening van thuis, zal niet meer dan €15 zijn. Kortom, Noorwegen is best te doen 😁
Dovre ligt tussen de Dovrefjell en Rondane in, een mooi uitgangspunt voor de volgende dag. In de hoop dat het dan droog is, maar dat is wel de verwachting. We willen ook héél graag de tent weer opzetten, van de zeven nachten die we hier nu zijn hebben we er maar twee gekampeerd. Hopelijk lukt dat morgen, en ook om eindelijk eens wat wandelingen te maken. Zelfs daar is het tot nu toe niet van gekomen, maar dat komt omdat we graag door die waanzinnig mooie landschappen hier wilden rijden. Dat is ook wat waard.
Als morgen de zon schijnt gaan we eerst de Dovrefjell verkennen. Dat is - alweer - een hoogvlakte, en met een beetje geluk kunnen we daar Peer Gynt tegenkomen, de bergkoning uit het verhaal van Ibsen dat door Grieg op muziek gezet is. Daarna rijden we naar Rondane Nationaal Park. Daar vond indertijd onze eerste kennismaking met dit wonderschone land plaats. We liepen er een meerdaagse tocht en moesten de eerste dag urenland omhoog van de ene kei naar de andere springen. Met de zwaarbepakte rugzak op. Toen we uiteindelijk bij de berghut kwamen rook het daar zo heerlijk naar versgebakken brood! We besloten er de volgende ochtend dus te ontbijten (slapen deden we in onze eigen tent). De klap in het gezicht kon niet groter zijn: dat brood, dat goddelijk ruikende brood, bleek zonder zout gebakken te zijn...
maandag 27 juni 2022
Maandag 27 juni – dag 7: Gjerde/Jostedalen – Lom
Eerst kom ik nog even terug op een mooi voorval van gisterochtend, vlak voordat wij vertrokken uit Aurland. Opeens zagen we aan de overkant van de woest kolkende bergbeek een troepje gemankeerde witte monniken. Man, vrouw, zoontje van een jaar of 10. De mannen begaven zich uiterst behoedzaam richting water, deden hun badjassen uit en dompelden zichzelf heel snel een paar keer onder in het ijskoude water. De dame keek het even aan en besloot het te houden bij het maken van een filmpje. Vanaf het terras van een cabin iets verderop klonk luid applaus bij de tewaterlating, terecht! Misschien kwamen ze wel uit de sauna, wie zal het zeggen. Wij moesten er persoonlijk niet aan denken.
Het eerste wat ik zag toen ik vanmorgen de deur opendeed was een uittocht van campers: de Italiaanse variant van ‘We zijn er bijna’ zette zich langzaam in beweging. Later hoorden we van de vriendelijke beheerder dat ze normaal nooit groepen toeliet, omdat het een kleine camping is, maar voor deze mensen maakte ze een uitzondering omdat ze hier al jaren kwamen. En aangezien ze ook allemaal in de categorie bejaard vielen waren ze heel rustig en niemand tot last. Wat klopte. Wij zullen zelf vermoedelijk ook niemand tot last zijn, behalve als we teveel drank op hebben (maar dat is niet vaak meer het geval).
Vanmorgen maakten we gebruik van het koffiezetapparaat in de campingkeuken. De koffie smaakte alsof we thuis waren, wat niet zo gek was want we konden het zetten in hetzelfde type Mocca Master dat we in onze eigen keuken hebben. Werkelijk álles was hier aanwezig, tot een afwasmachine aan toe. En alles ook even spic en span. De douche was niet zo’n klein benauwd hokje, waar het onmogelijk is je sokken droog aan te trekken, maar een ruime badkamer annex wc.
De lucht zag er dreigend uit, dus we gingen vlug op pad. Naar de Nigardsbreen, een grotere uitloper van de Jostedal-gletsjer dan die van gisteren. Bij het plaatselijke supermarktje kochten we nog snel een krakend vers bruin brood en een paar croissantjes. Op naar de parkeerplaats van de Nigard. Nou, die dreigende lucht was allang niet dreigend meer: het góót. We hebben uit de auto nog wel wat foto’s gemaakt maar eigenlijk was het geen doen. We zetten koers naar Lom, eerst een uur terug naar de 55 en toen langs de Sognefjord in oostelijke richting. Onderweg dronken we nog een kop koffie, kaneelbroodje erbij, en daarna begonnen we al snel aan een flinke stijging. De ene haarspeldbocht na de andere, hoger en hoger. Intussen ging het steeds harder regenen, er ontstond ook veel mist. Kilometers achter elkaar, bocht na bocht, waarbij je niet alleen uit moest kijken niet het ravijn in te rijden maar ook moest zorgen geen fysieke confrontatie met de naar beneden sjezende campers te krijgen. En voordat iemand denkt: wat zeuren ze toch over die campers; die vormen de overgrote meerderheid van het verkeer hier. Eén op de tien auto’s is van een Noor, de rest van Nederlanders en Duitsers. Daarvan is dan weer één op de negen een personenauto. Echt waar. Op een doorsneeweg is dat allemaal geen probleem, maar in die haarspeldbochten zorgt het voor behoorlijk vervelende momenten. Vooral als de bestuurder niet op de hoogte is van de ‘stijgend verkeer heeft voorrang’-regel.
Maar goed, op een gegeven moment waren we dan toch helemaal boven. En, ondanks het noodweer, het was fantastisch! Ja, het was jammer dat we er niet uit konden om foto’s te maken, maar desondanks genoten we voor tien. Wat een landschap. We konden er haast geen genoeg van krijgen. Alsof die slagregens voor een extra dimensie zorgden.
Na een uur of drie kwamen we weer beneden, en ook deze keer ging dat veel geleidelijker dan omhoog. Net als bij de tocht van Aurland naar Laerdal is het dan ook hier aan te raden om vanuit Lom naar de Sognefjord te rijden als je geen fan bent van urenlang haarspeldbochten rijden.
In Lom, het regende nog steeds, zochten we bij de eerste de beste camping naar een cabin. Het was nogal een groot en toeristisch gebeuren daar. De cabin die we toegewezen kregen zou je echter nog niet eens als kippenhok willen gebruiken. Ja, er stond een stapelbed en er was een kookplaatje, maar dat was alles. Voor €71 vonden we dat geen goed idee, dus leverden we de sleutel weer in. Nadat we ons geld hadden teruggekregen probeerden we ons geluk een paar kilometer verderop, en ja hoor, prijs! We zitten nu in een hele ruime hut, heerlijke hoekbank, goed ingericht keukentje, met eigen sanitair , op een rustige plek. De eigenaar spreekt alleen Noors, maar kon toch net enigszins verstaanbaar ‘Cees Verkerk’ uitspreken, wat ons natuurlijk direct vrienden voor het leven maakte. En dat alles voor maar €9 meer.
Het eerste wat ik zag toen ik vanmorgen de deur opendeed was een uittocht van campers: de Italiaanse variant van ‘We zijn er bijna’ zette zich langzaam in beweging. Later hoorden we van de vriendelijke beheerder dat ze normaal nooit groepen toeliet, omdat het een kleine camping is, maar voor deze mensen maakte ze een uitzondering omdat ze hier al jaren kwamen. En aangezien ze ook allemaal in de categorie bejaard vielen waren ze heel rustig en niemand tot last. Wat klopte. Wij zullen zelf vermoedelijk ook niemand tot last zijn, behalve als we teveel drank op hebben (maar dat is niet vaak meer het geval).
Vanmorgen maakten we gebruik van het koffiezetapparaat in de campingkeuken. De koffie smaakte alsof we thuis waren, wat niet zo gek was want we konden het zetten in hetzelfde type Mocca Master dat we in onze eigen keuken hebben. Werkelijk álles was hier aanwezig, tot een afwasmachine aan toe. En alles ook even spic en span. De douche was niet zo’n klein benauwd hokje, waar het onmogelijk is je sokken droog aan te trekken, maar een ruime badkamer annex wc.
De lucht zag er dreigend uit, dus we gingen vlug op pad. Naar de Nigardsbreen, een grotere uitloper van de Jostedal-gletsjer dan die van gisteren. Bij het plaatselijke supermarktje kochten we nog snel een krakend vers bruin brood en een paar croissantjes. Op naar de parkeerplaats van de Nigard. Nou, die dreigende lucht was allang niet dreigend meer: het góót. We hebben uit de auto nog wel wat foto’s gemaakt maar eigenlijk was het geen doen. We zetten koers naar Lom, eerst een uur terug naar de 55 en toen langs de Sognefjord in oostelijke richting. Onderweg dronken we nog een kop koffie, kaneelbroodje erbij, en daarna begonnen we al snel aan een flinke stijging. De ene haarspeldbocht na de andere, hoger en hoger. Intussen ging het steeds harder regenen, er ontstond ook veel mist. Kilometers achter elkaar, bocht na bocht, waarbij je niet alleen uit moest kijken niet het ravijn in te rijden maar ook moest zorgen geen fysieke confrontatie met de naar beneden sjezende campers te krijgen. En voordat iemand denkt: wat zeuren ze toch over die campers; die vormen de overgrote meerderheid van het verkeer hier. Eén op de tien auto’s is van een Noor, de rest van Nederlanders en Duitsers. Daarvan is dan weer één op de negen een personenauto. Echt waar. Op een doorsneeweg is dat allemaal geen probleem, maar in die haarspeldbochten zorgt het voor behoorlijk vervelende momenten. Vooral als de bestuurder niet op de hoogte is van de ‘stijgend verkeer heeft voorrang’-regel.
Maar goed, op een gegeven moment waren we dan toch helemaal boven. En, ondanks het noodweer, het was fantastisch! Ja, het was jammer dat we er niet uit konden om foto’s te maken, maar desondanks genoten we voor tien. Wat een landschap. We konden er haast geen genoeg van krijgen. Alsof die slagregens voor een extra dimensie zorgden.
Na een uur of drie kwamen we weer beneden, en ook deze keer ging dat veel geleidelijker dan omhoog. Net als bij de tocht van Aurland naar Laerdal is het dan ook hier aan te raden om vanuit Lom naar de Sognefjord te rijden als je geen fan bent van urenlang haarspeldbochten rijden.
In Lom, het regende nog steeds, zochten we bij de eerste de beste camping naar een cabin. Het was nogal een groot en toeristisch gebeuren daar. De cabin die we toegewezen kregen zou je echter nog niet eens als kippenhok willen gebruiken. Ja, er stond een stapelbed en er was een kookplaatje, maar dat was alles. Voor €71 vonden we dat geen goed idee, dus leverden we de sleutel weer in. Nadat we ons geld hadden teruggekregen probeerden we ons geluk een paar kilometer verderop, en ja hoor, prijs! We zitten nu in een hele ruime hut, heerlijke hoekbank, goed ingericht keukentje, met eigen sanitair , op een rustige plek. De eigenaar spreekt alleen Noors, maar kon toch net enigszins verstaanbaar ‘Cees Verkerk’ uitspreken, wat ons natuurlijk direct vrienden voor het leven maakte. En dat alles voor maar €9 meer.
![]() | ||
| Ons mini-hutje in Gjerde, dat er kleiner uitziet dan het is
|
![]() |
| De verblijfsruimte |
zondag 26 juni 2022
Zondag 26 juni – dag 6: Aurland – Jostedal
Gisteravond hadden we een hele tijd zitten praten met een jong stel Nederlanders, ook uit Groningen. Zij hadden hun tentje vastgeprikt op het gras, dat niet speciaal voor tenten bedoeld was maar af en toe wel een tentje kon verdragen. De eigenaar vond het allemaal prima. Zij vertelden dat ze twee dagen ervoor wild gekampeerd hadden, en daarbij gezelschap hadden gekregen van tientallen teken. Ze moesten ze zelfs van het tentdoek vegen. Natuurlijk waren ze zelf ook niet ongeschonden uit de strijd gekomen, getuige enkele foto’s. Op een of andere manier hadden wij het idee gehad dat die beestjes in Noorwegen niet zouden voorkomen, behoorlijk naïef natuurlijk. Dus vanaf nu: tekencontrole! Ik ben al een keer eerder geïnfecteerd geweest met Lyme, daar wil ik het maar bij houden.
Later dan gepland, we konden haast niet loskomen van de mooie plek, begonnen we aan de tocht over de Aurlandsfjellet. Nou, dat viel niet tegen! Goed, je moest eerst spitsroeden lopen, of liever gezegd rijden, via behoorlijk steile haarspeldbochten met als het tegenzat vier campers die je tegemoet kwamen en de bocht maar nauwelijks konden maken, maar de beloning was zoet. Een schitterend zomers sneeuwlandschap. Dan weer reden we tussen hoge sneeuwmuren door, dan weer zagen we mijlen om ons heen niets dan sneeuwheuvels. Al met duurde het zeker een uur voor we deze onwaarschijnlijk mooie voorstelling weer verlieten. De afdaling naar Laerdalsøri was vrij geleidelijk. Voor wie hoogtevrees heeft is het dus aan te bevelen de route vanaf die kant te starten. Niet dat ik daar last van had hoor, het kwam doordat ik het gewoon heel spannend vond dat we zo’n mooie tocht gingen maken. Daardoor stond het zweet in m’n handen (ik reed).
Na deze spectaculaire rit stoomden we op de ferry van Fodnes naar Manheller, waar we direct de tunnel ingeleid werden. Geen ontsnappen aan. We wilden nu de Sognefjellet rijden, althans een deel ervan vandaag en morgen verder. Tot Bert opeens zei dat hij graag nog eens naar de Jostedalsbreen wilde, de grootste gletsjer op het vasteland van Europa. Ik kon me daar niets van herinneren maar we waren er in de buurt, dus verlieten we na een kilometer of dertig de 55 en zetten koers richting Gjerde. Op de kaart – ja, lekker ouderwets, zo’n papieren ding maar hier echt het meest overzichtelijk – zagen we dat daar een camping moest zijn. De rit ernaartoe was enigszins saai, maar opeens kwamen we weer in de bewoonde wereld. Soort van dan, Gjerde is een klein dorpje in the middle of nowhere. Maar er was inderdaad een camping. We meldden ons, vroegen naar een tentplek. Tja, dat was nu net vandaag een beetje problematisch. Er zou een grote groep Italianen komen en er was alleen nog een klein plekje aan de rand achteraan vrij. We keken naar de lucht, we keken naar elkaar en vroegen naar een cabin. Jazeker, er was er nog een vrij die voor ons heel geschikt zou zijn. Van buiten leek hij nogal klein, maar van binnen was het prima. Met, ook hier weer, een ‘keukentje’ met alle benodigdheden zoals pannen, bestek, glazen, borden en een ruime koelkast. We hoefden niet langer na te denken. Verder is het sanitair hier blinkend schoon, en, klap op de vuurpijl, er is een enorme keuken met aanpalende verblijfsruimte vol tafels en stoelen. Voor als het regent.
Nadat we ons geïnstalleerd hadden reden we naar een kleine uitloper van de gletsjer die vrij dichtbij was. Vanuit de parkeerplaats zagen we hem al liggen. Het pad ernaartoe was makkelijk te belopen, met een paar vlonders over kleine bergbeekjes. Toen we er bijna waren begon het opeens te regenen, steeds harder en harder, helaas pindakaas maar we moesten terug. Kletsnat kwamen we bij de auto. Terug in onze hut trokken we warme en droge kleren aan, en nu zitten we gezellig met een glaasje wijn ons te vergapen aan TWINTIG Italiaanse campers die achter elkaar het terrein oprijden…het kan verkeren. Morgen verder!
Later dan gepland, we konden haast niet loskomen van de mooie plek, begonnen we aan de tocht over de Aurlandsfjellet. Nou, dat viel niet tegen! Goed, je moest eerst spitsroeden lopen, of liever gezegd rijden, via behoorlijk steile haarspeldbochten met als het tegenzat vier campers die je tegemoet kwamen en de bocht maar nauwelijks konden maken, maar de beloning was zoet. Een schitterend zomers sneeuwlandschap. Dan weer reden we tussen hoge sneeuwmuren door, dan weer zagen we mijlen om ons heen niets dan sneeuwheuvels. Al met duurde het zeker een uur voor we deze onwaarschijnlijk mooie voorstelling weer verlieten. De afdaling naar Laerdalsøri was vrij geleidelijk. Voor wie hoogtevrees heeft is het dus aan te bevelen de route vanaf die kant te starten. Niet dat ik daar last van had hoor, het kwam doordat ik het gewoon heel spannend vond dat we zo’n mooie tocht gingen maken. Daardoor stond het zweet in m’n handen (ik reed).
Na deze spectaculaire rit stoomden we op de ferry van Fodnes naar Manheller, waar we direct de tunnel ingeleid werden. Geen ontsnappen aan. We wilden nu de Sognefjellet rijden, althans een deel ervan vandaag en morgen verder. Tot Bert opeens zei dat hij graag nog eens naar de Jostedalsbreen wilde, de grootste gletsjer op het vasteland van Europa. Ik kon me daar niets van herinneren maar we waren er in de buurt, dus verlieten we na een kilometer of dertig de 55 en zetten koers richting Gjerde. Op de kaart – ja, lekker ouderwets, zo’n papieren ding maar hier echt het meest overzichtelijk – zagen we dat daar een camping moest zijn. De rit ernaartoe was enigszins saai, maar opeens kwamen we weer in de bewoonde wereld. Soort van dan, Gjerde is een klein dorpje in the middle of nowhere. Maar er was inderdaad een camping. We meldden ons, vroegen naar een tentplek. Tja, dat was nu net vandaag een beetje problematisch. Er zou een grote groep Italianen komen en er was alleen nog een klein plekje aan de rand achteraan vrij. We keken naar de lucht, we keken naar elkaar en vroegen naar een cabin. Jazeker, er was er nog een vrij die voor ons heel geschikt zou zijn. Van buiten leek hij nogal klein, maar van binnen was het prima. Met, ook hier weer, een ‘keukentje’ met alle benodigdheden zoals pannen, bestek, glazen, borden en een ruime koelkast. We hoefden niet langer na te denken. Verder is het sanitair hier blinkend schoon, en, klap op de vuurpijl, er is een enorme keuken met aanpalende verblijfsruimte vol tafels en stoelen. Voor als het regent.
Nadat we ons geïnstalleerd hadden reden we naar een kleine uitloper van de gletsjer die vrij dichtbij was. Vanuit de parkeerplaats zagen we hem al liggen. Het pad ernaartoe was makkelijk te belopen, met een paar vlonders over kleine bergbeekjes. Toen we er bijna waren begon het opeens te regenen, steeds harder en harder, helaas pindakaas maar we moesten terug. Kletsnat kwamen we bij de auto. Terug in onze hut trokken we warme en droge kleren aan, en nu zitten we gezellig met een glaasje wijn ons te vergapen aan TWINTIG Italiaanse campers die achter elkaar het terrein oprijden…het kan verkeren. Morgen verder!
Abonneren op:
Posts (Atom)
Nabeschouwing
Hierboven de route zoals we hem uiteindelijk gereden hebben. Op de teller kwamen we net iets boven de 3000 km uit. Dat komt natuurlijk omdat...
-
Hierboven de route zoals we hem uiteindelijk gereden hebben. Op de teller kwamen we net iets boven de 3000 km uit. Dat komt natuurlijk omdat...
-
Het woei nog steeds, en hard ook. De koffie konden we wel vergeten, het keteltje zou zo van de brander afwaaien. Maar daar is ook hier goed ...
-
De kers op de taart. De parel in de kroon. Het puntje op de i. Noem het maar. Feit is dat we er eindelijk in geslaagd zijn op de Hardangervi...



















































